Eline Peek, 1970
Opleiding
Hogeschool voor de Kunsten Utrecht
Reclame & Presentatietechnieken, Nimeto Utrecht
Prijzen
Van Dokkumprijs 2004
De Bernhard Johan Kerkhofprijs 2007
Collecties
Collectie PGGM en Drents Museum Assen, diverse particuliere verzamelingen.
Exposities vanaf 1995
Solo-expositie galerie Stills 2010
Publicaties
Eline Peek, ingeleid door Chris Will, Veenman Publishers 2007, isbn 9789086901531
Beeldspraak nr 5, interview met Ad Lansink, een uitgave van BnM Uitgevers en galerie Stills
Na weerstand de liefde
Ad Lansink in gesprek met Eline Peek- Beeldspraak nr 5, april 2010.
De doeken van Eline Peek (Utrecht, 1970) confronteren de onbevangen toeschouwer met de ‘naakte’ werkelijkheid van alledag: de kwetsbaarheid van mensen in verval. Overwint hij zijn weerstand, dan ontwaart hij de innerlijke kracht van iedere mens, zijn schoonheid en zijn liefde
Eline, je hebt onmiskenbaar een eigen beeldtaal ontwikkeld, levensgrote beelden van mensen, die geen gemakkelijk leven achter de rug hebben: vanwaar die fascinatie voor het kwetsbare in de mens?
De kern ligt in mijn verzet tegen het perfectionisme, de perfecte mens. De beeldtaal, waar we dagelijks via allerhande media mee in aanraking komen is verre van realistisch. Alles moet perfect zijn en beantwoorden aan een ideaalbeeld. Er is geen plaats meer voor het onvolmaakte, en evenmin voor het kwetsbare in de mens. Alles moet maakbaar zijn. We zijn bang voor gehandicapte of oudere mensen omdat we niet weten hoe we met onvolmaaktheid, verval of ouderdom moeten omgaan. We schuiven dat soort dingen van ons af. Ten onrechte. Vrijwel iedereen worstelt met onvolmaaktheid. Ik wil laten zien dat dat niet hoeft door de - in de samenleving zoekgeraakte - individualiteit en de schoonheid van het onvolmaakte te tonen.
Die menselijke schoonheid lijkt op jouw schilderijen ver weg, maar is wel tastbaar in ogen, die vragen dichterbij te komen. Je wilt ‘heel de mens’ verbeelden, in kommer en kwel, met vreugde en verdriet?
Die verbeelding van het zichtbare en het onzichtbare, daar gaat het om. Ik ga een relatie aan met de hele mens, die ik op het doek neerzet. Eigenlijk streef ik naar iets wat wringt om een stevige drempel op te werpen. De eerste confrontatie shockeert. Maar wanneer je verder kijkt en dieper doordringt in de verbeelding, dan help je jezelf over de drempel heen. Ben je geraakt en heb je de weerstand eenmaal overwonnen, dan komt de liefde vanzelf. Dan zie je, hoe uniek, hoe waardevol en hoe mooi de kwetsbare mens kan zijn.
Lijkt de drempel, die je net noemde, op het bange en onbestemde gevoel bij het bezoek aan een ernstig zieke vriend?
Ja, dat is een goede metafoor voor wat ik bedoel met het slechten van de bewust opgeworpen drempel. De zieke vriend en zijn gezonde bezoeker vinden elkaar in de overtuiging, dat zij elkaar nodig hebben. Zij ervaren elkaars schoonheid in overdrachtelijke zin. Zij weten, dat het onvolmaakte en het onafwendbare toch tot geluk kunnen leiden.
Waarom laat je de naakte waarheid zien, wanneer die waarheid weinig meer van doen heeft met het gangbare schoonheidsideaal in een groot deel van de figuratieve kunst?
Tegenover het gangbare of geldende schoonheidsideaal wil ik een ander icoon zetten. Het is een niet te onderdrukken gevoel, dat ik schoonheid anders beleef, en anders moet verbeelden. Ik heb iets hardnekkigs in me. Iemand vroeg mij eens: waarom schilder je geen kleinere, vrolijker doeken met meer kleur? Waarom die afstand tot het gewone, het gangbare? Maar ik wilde geen slaaf worden van mijn eigen succes. Achteraf vind ik het fijn, dat ik mijn eigen richting heb kunnen ontwikkelen. Succes mag de eigen ontwikkeling niet in de weg staan. Natuurlijk is het fijn om erkenning te vinden. Onlangs kreeg ik bezoek van een oudere dame, die ontroerd raakte door mijn schilderijen. Haar oprechte waardering deed mij goed, ook al nam ze het doek nog niet mee naar huis.
Je schildert meestal naakten, soms zelfs van top tot teen, en je gebruikt geen modellen. Kun je aangeven hoe je wel te werk gaat?
Overal doe ik indrukken op, in de naaste omgeving, op straat, in een winkel. Ik geef onbewust mijn ogen de kost. Soms word ik plotseling geraakt door een voorval of een ontmoeting. Laatst in de trein zat ik tegenover een beeldschoon meisje. Ze had een moedervlek boven haar lip, waaruit zachte haartjes groeiden. Ze bedekte telkens met haar hand die moedervlek, kennelijk omdat ze dat ding wilde verbergen. Voor mij was dat niet nodig: ze was en bleef mooi om te zien, ook van binnen. Ik berg dat soort indrukken op. Uit een veelheid van indrukken ontstaat later bijna vanzelf een schilderij. Vanzelf, omdat het personage mij soms aan de hand meeneemt. Ik begin met enkele lijnen en een vlek, die ik via transparante lagen verander in de huid van het schepsel. Geleidelijk zie ik, dat het personage zich ontwikkelt tot een echt karakter: de persoon, die ik bedoel.
Heb je wanneer je aan een portret begint een figuur voor ogen, een man of vrouw, die je al schilderend omvormt tot een even echt als aangrijpend personage?
Het zijn eigenlijk geen portretten maar verbeeldingen van de werkelijkheid. Mijn schepsels zijn gebaseerd op indrukken van bestaande mensen. Maar die schepsels gaan een eigen leven leiden. Meestal zien mensen in mijn verbeelding wel iemand, die zij menen te kennen. Wanneer ze zo ver zijn, dan zijn ze over de drempel gestapt, die ik eerder noemde. Zij zijn met hun herkenning de weerstand voorbij. Hun tweede en derde blik brengt hen bij het groeiproces, dat ik zelf ook doormaakte bij het schilderen van het doek.
Jouw schilderijen moeten, gegeven jouw wens om een andere icoon voor schoonheid te maken, voor en uit zichzelf spreken. Heb je daarom geen behoefte aan titels?
Nou, soms toch wel, maar meestal niet. Mijn schilderijen zijn geen portretten, en niet rechtstreeks gebaseerd op bestaande personen. Zou ik die schilderijen een titel geven - Peter bij voorbeeld - dan zouden mensen denken: ha, dat is Peter. Dat wil ik niet. Maar soms ontstaat een doek, waar een titel bij past. Toen mijn vader plotseling stierf, heb ik zijn uitstraling vastgelegd door hem te verbeelden met een pluizenbol van een paardenbloem in zijn hand. Het doek noemde ik ‘Ochtendlicht’. Een andere keer ontwikkelt zich een verhaal, dat ik wel in een woord wil vangen. Ik was onlangs een zwemmende figuur aan het schilderen, toen ik in een iconografisch boek met mythologische figuren uit de Griekse oudheid de titel vond: Echo, de praatzieke waternimf, die haar liefde voor Narcissus, niet beantwoord zag. Haar roddels werden bestraft met het verlies van haar spraak. Ze kon nog slechts de laatste woorden van anderen herhalen. De mooie Narcissus, die alle aanbidders verjoeg, verging het niet veel beter. Hij verdronk in het verdriet, dat uit de mond van Echo stroomt.
Is overdrijving nodig om de kijker te boeien en te binden, op het gevaar af van een averechtse werking of een karikatuur van een ongelukkige mens?
Dat denk ik niet. Mijn werk mag trouwens geen karikatuur worden. Daar wil ik echt voor waken. Overdrijving is niet echt nodig, misschien even om de aandacht te trekken. Met mijn verfgebruik overdrijf is soms wel, maar in omgekeerde zin. Ik schilder geen dode huid, geen schilfers, geen psoriasis. Het gaat om het hele beeld, dat de kijker moet inspireren en overtuigen. Het is een proces van verinnerlijking, dat moeilijk in woorden te vangen is.
Van uitbundig kleurgebruik is geen sprake, wel van gelaagdheid, die leidt tot een bijzondere kleurstelling, en tot een terughoudend maar mooi resultaat.
Ja, ik kies bewust voor een rustig kleurgebruik. Het grappige is, dat de associatie van aftakeling en verminking in combinatie met de kleuren leidt tot een esthetisch verantwoord resultaat, een artistiek gebeuren, dat uitstijgt boven het z.g. fotorealisme. Vergelijk het met beelden van oude verweerde deuren van een vervallen huis, die ik soms fotografeer op mijn tochten door Frankrijk. Die oude deuren boeien meer dan de moderne kozijnen in een nieuwbouwwoning.
De ‘echte’ portretten - doeken waarop alleen het hoofd zichtbaar is - hebben op mij een andere uitwerking dan de levensgrote figuren. Ik zie in de koppen nog meer de mens achter de mens.
Ik kan me goed voorstellen, dat de koppen andere gevoelens wekken dan de lichamelijke ‘portretten’. De lijfelijke beelden roepen in eerste instantie afkeer op, vooral door een zekere schaamte. Het zijn geen pin-ups. De kijker wordt bij het zien van de koppen minder afgeleid door een lichaam in verval of misvormde ledematen. Bij het schilderen van de koppen word ik zelf ook niet gehinderd door zaken, die er dan even niet toe doen. De individualiteit van de anonieme maar toch levende persoon staat dan voorop.
Jouw werk wordt pseudo-realistisch genoemd. Pseudo vind ik een bedenkelijke term. Wat vind je van het etiket? Heb je wel behoefte aan globale en dus vage karakterisering?
Mijn schilderijen zijn geen echte realiteit. Ze zijn hooguit de uitdrukking van mijn realiteit. Ik wil mezelf wel associëren met de werkelijkheid van alledag. De bezieling mag en moet niet weggehaald worden. Aan een etiket heb ik eigenlijk geen behoefte, wanneer maar duidelijk is wat ik met mijn doeken beoog: de schoonheid of noem het de esthetiek van de mens, in al zijn facetten, ook wanneer het lichaam niet meer is wat het vroeger was.
Chris Will, destijds van Museum Boymans van Beuningen vindt, dat jouw visie ‘naadloos aansluit’ bij generatiegenote Jenny Saville (1970). Is dat zo, of zie je ook verschillen in stijl en benadering?
Het is natuurlijk een mooi compliment wanneer ik op een lijn gezet word met een befaamde kunstenares als Jenny Saville. Maar ‘naadloos aansluiten’, dat kan ik toch niet goed plaatsen. Wel wat de thematiek betreft, maar haar schilderijen zijn explicieter. Ze gebruikt meer shockerende elementen, en laat meer de donkere kant van het leven zien. Ik zoek toch meer de zachtere aspecten, de nuances, het herkenbare, het liefdevolle in iedere mens. Ik voel me toch een andere kunstenares. Is de drempel geslecht en de weerstand overwonnen, dan is er bij mij alle ruimte voor schoonheid en liefde.